Woord vooraf - De 3-Klank dec. 2020


 

 

 

Advent

Heel langzaam brandden eens vier kaarsen. De omgeving was zo rustig dat

men ze kon horen spreken. De eerste kaars zei: ”Ik ben de VREDE. Ik deed

zolang mijn best opdat mensen geen ruzie zouden maken, dat ze geen wapens

zouden gebruiken, dat ze niet zouden slaan voor een meningsverschil. Maar er

blijft oorlog overal, en waar mensen in groepen samenkomen blijven er twisten

ontstaan. Wat heeft het voor zin dat ik voor hen brand? Niemand kan mij

beletten dat ik uitdoof.” Haar vlammetje werd vlug kleiner en doofde uit.

 

De tweede kaars zei: ”Ik ben het VERTROUWEN. Meestal kan ik gemist worden.

Dus heeft het geen zin meer dat ik blijf branden. Want ik leer mensen om

te geloven in het leven zelf en in elkaar. Ik leer hen dat ze samen iets moois

kunnen maken, maar ze luisteren niet. Hun vertrouwen is zo klein. Ze geloven

alleen wat simpel is en in dromen die wegvliegen als een veertje. Mensen

vertrouwen niet eens meer hun eigen hart, en geloven niet in het waarom van

hun bestaan.” Wanneer ze stopte met praten blies ze zichzelf met een laatste

zuchtje uit.

 

Op haar beurt sprak zachtjes de derde kaars: ”Ik ben de LIEFDE. Ik heb de

kracht niet gekregen om te blijven branden. De mensen negeren me. Ze vergeten

zelfs hun naasten te beminnen. Ik had zo gehoopt dat ik mensen kon helpen

om elkaar warmte te geven, en het gevoel dat er altijd Iemand ook van hen

hield - zelfs al wist men dat niet.” Ze wachtte niet langer en doofde uit.

Plots kwam er een kind aan en zag de drie gedoofde kaarsen. Het keek naar de

vrede waarvan het licht verdwenen was, en naar het vertrouwen dat het nodig

had om groot te worden en om moedig te zijn, en naar de liefde omdat het kind

niet alleen wilde zijn. ”Waarom branden jullie niet langer?” riep het kind vol

onzekerheid uit. De drie kaarsen spraken en vertelden hoe slecht het met hen

ging. Nadat dit alles gezegd was begon het kind te wenen.

 

Toen zei de vierde kaars: ”Wees niet bang, mijn kind. Nu ik nog brand kunnen

we de andere kaarsen weer aansteken. Want ik ben de HOOP!” Met glanzende

ogen nam het kind de kaars van de hoop en stak de andere kaarsen weer aan.

Het vlammetje van de hoop wilde het kind nooit uit het leven laten verdwijnen.

 

Laten ook wij allemaal de HOOP, het VERTROUWEN, de VREDE en de

LIEFDE bewaren en koesteren!!! Dan groeit het grote licht dat Kerstmis is voor

vandaag, voor morgen en altijd!

 

 

Rennie Niezink